Posted on

Steppendochter

Subutai brult: ‘Brand de stad plat.’

‘Wat doe ik met de vrouwen, generaal?’

‘Stuur de oude heksen naar de hel en breng me de maagden.’

Zonder plichtplegingen verlaat de gedrongen mongool de tent. De wind blaast ijskoud sneeuwvlokken naar binnen. Met gebogen hoofd knoop ik de tentflap achter hem dicht, en ik hurk rechts van de opening in afwachting van de grillen van Subutai. Ik vervloek de dag dat de oude generaal me van gids ‘promoveerde’ tot tentmeester. De hoge muren van Derbent zijn meer dagen van me verwijderd dan ik kan tellen. Tot mijn dood zal ik eens per week de ger opbouwen en weer afbreken. Tussendoor ben ik hun knecht die voor brandhout, drank en voedsel mag zorgen.

‘Breng ons airag, bergman’, beveelt de jonge prins die naast Subutai in de kussens ligt.

Ik pak de amfora met de grote oren en schenk de smerig stinkende paardenmelk in de kommen. Batu slurpt en boert. Van de lage tafel die tussen de mannen op de aangestampte aarde staat, neemt hij brood en plakken gezouten salo. De smaak van de oosterse barbaren is boers en simpel. Subutai eet niet. Over de rand van de kom waaruit hij de duivelse drank drinkt, kijkt hij me aan.

Gegil van vrouwen en kinderen overstemt Batu’s onsmakelijk gesmak. Iemand kondigt met luide stem het voornemen aan de tent te betreden. Snel maak ik de lus los, die moet voorkomen dat de tentflap openwaait. De officier die opdracht heeft om de Khan en zijn veldheer te voorzien van vers vrouwenvlees is terug.

‘Generaal, de mannen hebben weinig maagden gevonden.’

‘Je bedoelt dat er na hun bezoek aan de stad weinig vrouwen meer onaangeraakt zijn’, sist de oude generaal.

‘Twee is genoeg’, sust Batu Khan.

‘Voor jou misschien’, grijnst Subutai.

‘Branden de Russen al?’ vervolgt hij, ‘Ik wil me warmen. Het ijs kruipt in mijn botten.’

‘Ik warm me liever aan levend vlees’, zegt Batu, terwijl hij opstaat.

Subutai volgt. De krijgsheren kijken me niet aan, terwijl ze de ger verlaten. De Khan gaat voorop. Hij is een slanke man van begin dertig, met een dunne baard en dito snor die tezamen als drie vlassige draden langs mond en kin naar beneden hangen. Hij is in met goud en leer afgezet krijgstenue uitgedost. De prins stinkt naar paard en zweet, als alle mongolen. Subutai steekt bijna een kop boven hem uit. Hij staat stijf en stram rechtop, alsof hij zijn lans heeft ingeslikt. Uit de kraag van een lange bontjas steekt een gerimpeld hoofd met uitdrukkingsloze ogen.

In de opening van de tent blijf ik staan uit nieuwsgierigheid. Het zou beter zijn als ik mezelf niet zou pijnigen. Voor mij geen van de maagden. In de sneeuw staan meer dan tien jonge vrouwen, meisjes, sommige nauwelijks geslachtsrijp. Kappen en mutsen zijn van het hoofd getrokken, de kleren gescheurd. Ze bibberen en huilen. Mijn blik wordt gevangen door de vuurspuwende ogen van een volslanke vrouw die haar armen voor de borst gevouwen houdt in een vergeefse poging haar voluptueuze naaktheid te verbergen. Ze krijst als een gepijnigd speenvarken. De generaal knikt naar een van de krijgers. De lans die de soldaat eerder gebruikte om de vrouwen in het gelid te houden, steekt hij in een vloeiende beweging door de Russin, die nog eenmaal schreeuwt en dan gorgelend ter aarde zijgt. De anderen maken verschrikte geluiden, tot ze met trillende monden zwijgen. De soldaat vloekt. Door de val van de vrouw op de keihard bevroren grond is zijn lans gebroken. Uit haar buik steekt de punt van het wapen, de nutteloos geworden stok gooit hij naast zich neer.

Batu loopt langs de rij. Hij heeft een onbegrijpelijk slechte smaak. Dit keer is de voorselectie van dermate hoge kwaliteit geweest dat zelfs de minst bekoorlijke er appetijtelijk uitziet. Subutai wacht tot de prins met twee vrouwen in de richting van zijn ger verdwijnt. Drie soldaten volgen hem. Dan wijst hij naar een jong meisje. Het lijkt alsof de bejaarde strijder elke keer jonger kiest. Ik heb hem horen zeggen dat het een medicijn tegen de ouderdom is. Het meisje is veertien of vijftien jaar. Ze oogt als een lentebloesem, als een lammetje dat net op eigen benen staat. Het is een kind nog, met smalle heupen en een platte buik. Ze heeft een rechte neus en volle lippen in een rond gezicht, door ongekamd blond haar omlijst. Een gescheurde rok toont blanke benen, ze loopt blootsvoets en zonder kousen.

Krachteloos stribbelt ze tegen als twee gespierde mongolen haar optillen en naar binnen dragen. Wat gaat volgen, is een ritueel dat ik eens heb mogen aanschouwen en dat ik nooit meer wil zien. De soldaten zullen haar uitkleden en op de slaapmat van de gerimpelde mongool leggen. Als de generaal klaar is, zal ze naakt de kou in gestuurd worden, haar dood tegemoet. Tot het zover is, moet ik buiten blijven, in de kou. De avond valt en het duister kruipt uit de aarde. Het vriest zo hard, dat mijn pis in ijs verandert voor het de grond raakt. Subutai heeft me een Russische bontmuts gegeven. Hij vindt het komisch dat ik rondloop met drie dode konijnen op mijn hoofd, maar ik dank de Rus die ze geschoten heeft.

De achtergebleven meisjes spartelen vergeefs als de mannen hen meenemen. De eerste arban bestaat uit vertrouwelingen van de Khan. Het lijkt me dat het deze weken hun belangrijkste taak is om de dorpen en steden te ontdoen van de jongste en mooiste vrouwen. Wat Batu en Subutai daarvan overlaten is voor hen. Voor mij blijft vandaag een koud lichaam over, wit als de sneeuw waarin ze ligt. Lang zwart haar verbergt haar gezicht als ik de dode Russin op haar rug rol. De lanspunt steekt uit een bebloede buikwond. Ze heeft ervoor gekozen te sterven voor ze vernederd werd.

Ik buig mijn hoofd en prevel zo zacht dat niemand het kan horen: ‘Ik getuig dat er geen god is behalve Allah en ik getuig dat Mohammed de profeet van Allah is. Moge haar ziel rust vinden.’

Het levenloze lichaam grijp ik bij de in bontgevoerde laarzen gestoken voeten en sleep het over de bevroren grond. IJs en aangestampte sneeuw maken dit deel van de taak licht. Zonder moeite glijdt ze van de heuvel naar beneden, tot in de greppel die door de soldaten als latrine wordt gebruikt.

‘Vergeef me’, mompel ik: ‘een beter graf kan ik je niet bieden’.

Met stenen en takken begin ik het lijk af te dekken. Ik weet niet waarom ik de moeite doe. Dit ondiepe graf zal de wolven en gieren niet verhinderen haar te verscheuren, zoals ze ook de anderen zullen doen, als we morgenochtend verder trekken.

Voorover gebogen zoek ik naar meer stenen, als de tent open gaat en het meisje, geluidloos huilend, naar buiten kruipt. Niemand houdt haar tegen, niemand kijkt naar haar om, ze mag rennen waarheen ze wil. Ik hoop dat de kou het ontklede meisje genade geeft voor de wolven haar vinden. Maar ze rent niet weg. Op haar knieën zit ze met haar hoofd in haar handen te beven, te bibberen, te schreeuwen zonder geluid. Een druppel bloed valt in de sneeuw tussen haar benen. Ze kijkt me aan. De pijn in haar ogen gaat me door merg en been. Ik kan dit niet langer aanzien. De dode vrouw in de greppel had meer moed dan ik. Ooit was ik een bewaker van de gesloten poort van Derbent en nu ben ik een lafaard die te bang is om te sterven. Mijn zeven broeders zijn allen dood. De mongolen sneden ze één voor één de keel door, omdat ze onderling Arabisch spraken, omdat ze niet op tijd hun ogen afwenden van de Khan, of omdat ze probeerden te vluchten. Alleen ik leef nog. De lafste overleeft, net als de meest meedogenloze. In de bergen is plek voor de vluchtende gems en de hongerige wolf. Ik ben een bibberende bok temidden van het roedel, wachtend tot ze ook mij verscheuren.

Ik sluit mijn ogen en buig mijn hoofd. In gedachten bid ik om kracht.

‘Zo Allah het wil’, besluit ik hardop.

Het meisje verstijft. Met een vinger tegen mijn lippen schud ik mijn hoofd. Ik loop in haar richting en steek mijn hand uit. Ze schrikt weg. Zo voorzichtig mogelijk pak ik het kind bij de arm, dat opstaat en willoos met me mee strompelt. Ik fluister dat ze niet bang moet zijn, maar ze verstaat me niet. Waar ben ik mee bezig, denk ik bij mezelf. Elke dag heb ik gedacht aan ontsnapping, maar dan wel in het voorjaar, in mijn eentje en niet in het hart van een Russische winter met een naakt kind aan mijn arm. Ik ga mijn dood tegemoet.

Het meisje mompelt iets onverstaanbaars. Dan trekt ze met haar vingers haar ogen tot spleetjes en schudt het hoofd, terwijl ze naar mij wijst.

Ik knik: ‘Ik ben geen Mongool.’

Ik leg mijn polsen tegen elkaar en steek mijn handen uit, alsof ik geboeid ben. Ze knikt. Met een heftig gebaar beeld ik uit dat ik de boeien verbreek. Ze knikt opnieuw. Ze rilt. We moeten kleren voor haar vinden. Hier had ik nooit rekening mee gehouden. Ik had me in mijn dromen geconcentreerd op een manier om aan een paard te komen en aan een kans om aan de aandacht van de generaal te ontsnappen. Dat laatste is niet het lastigste. Blijkbaar is hij in slaap gevallen. Hij verwacht me in zijn tent om klaar te staan voor elk bevel, iedereen verwacht me daar. Iedereen zal denken dat ik op de mat naast de ingang lig. Niemand mist me tot hij wakker wordt. Het is stil rond de tenten van de Khan en zijn staf. Het overwinningsfeest is gevierd en de aandacht van de soldaten is verslapt. Verderop in het kamp wordt gezongen. Dit is de tijd waarop  kinderen en vrouwen slapen gaan en de mannen drinken en praten.

Mijn mantel trek ik uit en ik leg deze om de schouders van het meisje. ‘Sst’, fluister ik, in een poging haar te doen begrijpen dat ze stil moet blijven zitten. Ik ren naar het half bedekte lijk in de greppel en trek met moeite de laarzen van de verstijfde voeten. Daarna trek ik rok en onderrok naar beneden. De kleren breng ik naar het meisje. Ik ren terug en haal takken en stenen van het bovenlichaam van de dode vrouw. Het gescheurde vest dat om haar middel hangt, wikkel ik om mijn handen. Dan pak ik de punt van de lans en trek. Gemakkelijker dan ik verwacht had, glijdt de tweezijdig geslepen schacht uit de nog zachte buik. Een gulp zwart bloed golft uit de wond en langs haar zij.

We zijn in het midden van het kamp. De tent van Batu staat op de top van een kleine heuvel en de tenten van Subutai en de generale staf zijn er in een cirkel omheen geschikt. De greppel aan de voet van de heuvel vormt de grens met de tenten van het voetvolk. Dat is een misleidende term in dit leger, want elke soldaat heeft meerdere paarden tot zijn beschikking. Tienduizend soldaten bevolken het kamp en dan zijn er nog eens zoveel vrouwen en kinderen. Dit is de hoofdmacht. Twee bijna even grote cohorten zijn op een dagreis afstand. Het kamp is verdeeld in wijken, waarin de mongolen per myangan gerangschikt zijn. De duizenden tenten vormen een dorp op zich. In de verte verlicht een oranje gloed de steppe, Chernihiv brandt nog steeds. De meeste tenten zijn in cirkels opgesteld met een open plek in het midden, waar verlaten kampvuren branden. De tenten hebben de opening naar het midden.

We sluipen achter de tenten langs, waarvan de vilten bekleding het geluid dempt van krijsende kinderen, pratende vrouwen of het gesnurk van een vroege slaper. De laarzen van de dode vrouw zijn meerdere maten te groot, net als de rokken die het meisje met beide handen vasthoudt om te voorkomen dat ze afzakken. Het voorkomt niet dat ze struikelt en valt. Haar gesmoorde gil gaat verloren in de geluiden van het kamp. We vertragen onze pas. Het vroege, diepe duister omhelst ons en lage bewolking houdt het licht van de sterren tegen. Een enkele keer moeten we in de schaduwen blijven, als een mongool de latrines opzoekt.

Een enorme kudde paarden loopt los aan de randen van het kamp. Alleen de ossen die de grote wagens trekken, zijn in een omheinde akker ondergebracht. De beste manier om een paard te vangen is vanaf een paardenrug. Hier heb ik de hele winter over nagedacht en ik hoef niet meer na te denken, want volgens mij is er slechts één manier om de mongolen te ontvluchten. Ik houd het meisje tegen en gebaar dat ze achter de laatste tent blijft staan. Zelf loop ik door, het open veld in en zigzaggend waggel ik in de richting van de paarden. Ik fluit een van de kampliederen waarvan ik de melodie wel, maar de woorden nog steeds niet ken. Als ik het geluid van paardenhoeven hoor, open ik mijn vest en maak aanstalten om de flap van mijn broek los te knopen.

‘Wat doe je, dronkenlap?’, schreeuwt een Mongoolse wachter vanaf de paardenrug.

‘Ben jij het, Ogedei?’, roep ik met dubbele tong in een poging mijn Kaukasisch accent te maskeren.

Met de rechterhand nog tegen mijn kruis gedrukt, wankel ik in de richting van de ruiter. Tegen het grauw van de winternacht is zijn silhouet nauwelijks zichtbaar.

‘Ga terug naar je ger, soldaat.’

‘Nee’, mompel ik.

‘Wie ben jij, konijnenkop?’ brult de soldaat, terwijl zijn hand naar zijn zwaard gaat.

Ik aarzel niet en zet een laatste stap tot ik neus aan neus met de merrie sta. Het zijn kleine paarden. Hun hoofd is niet hoger dan het mijne. Zonder aarzelen haal ik uit en sla het paard keihard op de neus. Het dier doet een stap achteruit en even is de ruiter uit zijn evenwicht. Het is genoeg om naar zijn linkerkant te stappen en de lanspunt zo hard en hoog als ik kan in de zij van de mongool te steken. Zijn uithaal met het kromzwaard mist kracht en precisie en het staal schampt mijn schouder. Ik voel een scherpe pijn boven mijn elleboog. Met mijn andere arm duw ik de lans dieper in zijn vlees. De ruiter helt naar me over en valt dan uit het zadel. Ik worstel de stinkende steppenman van me af. Hij is dood. Zijn paard staat stil, alsof er niets aan de hand is. Ik spring op de rug van de merrie. Met de rechterhand stuur ik, mijn linkerarm is gevoelloos. Ik kijk om. Tussen de tenten staat een kleine gedaante. Ik steek mijn hand omhoog en ze loopt op me af, maar ik wijs terug naar de tenten. Ik moet eerst iets anders doen.

Honderd meter verderop staan tientallen paarden en het kost weinig moeite om naast een van de slapende dieren te gaan staan. Ze hinnikt verstoord als ik afstap, maar volgt mijn merrie als ik haar leid. Met beide paarden loop ik terug naar de plek waar de dode mongool ligt. Het meisje is halverwege en rent nu zonder aarzelen mijn kant op. De merrie wordt onrustig. De jonge Russin heeft het door en wandelt de laatste meters terwijl ze sussende geluiden maakt.

Ik vraag mijn jas terug, terwijl ik naar de soldaat op de grond wijs. Ze begrijpt mijn bedoeling en knoopt zijn leren borstkuras los, terwijl ik de lanspunt uit zijn zijde trek. De punt heeft het hart doorboord. Allah heeft mijn hand gestuurd. Samen ontdoen we het lijk van kuras, jas, hemd, muts en gordel. Het kost me moeite mijn linkerarm te gebruiken. Voor ik mijn jas aantrek, inspecteer ik de snijwond boven mijn elleboog. Hij bloedt nog steeds. Het zwaard gebruiken we om een reep stof van het bezwete, bebloede hemd te snijden. Het meisje verbindt mijn arm. Met een snelle beweging hakt ze nog een reep los en gebruikt dat als riem om haar rokken in te snoeren. De kleren van de mongool zijn haar te groot. Het geeft niet, in de Russische winternacht is het niet mogelijk om een teveel aan bont of leer te dragen.

Ik gebaar dat we moeten gaan en slinger mezelf op de rug van het steppenpaard. Ze aarzelt. Dan leunt ze voorover en grijpt het sieraad dat de soldaat om zijn nek draagt. Met een ruk trekt ze het van zijn hals. Ze houdt het naar me omhoog. Het is een zilveren amulet met een ruwe beeltenis van een steigerend paard. Ik kijk om me heen. Nog steeds zijn geen andere ruiters in zicht.

Ik wenk: ‘Kom’.

Ze bestijgt het andere paard, dat even opzij stapt en dan luistert naar haar bevelen. Het meisje kan rijden, Allah zij dank. De Mongolen zijn ten zuiden, ten westen en ten oosten van ons. Mijn weg naar huis is afgesloten, zij heeft geen thuis meer. We kunnen slechts één kant op, noordwaarts.